Omweg
Ik begon te lopen met mijn fiets naast me. Ik wou nog niet naar huis. De avond was pas net in zijn volle glorie aan het komen. Ik kon het ruiken. Overal om mij heen verzamelden zich groepjes mensen die op zoek gingen naar een volgende uitlaatklep. Sommige uitbundig roepend naar elkaar, anderen verwikkeld in innige gesprekken. Jong en oud. Ik hou van deze variëteit. Het maakt dat je je welkom voelt om je tussen hen te verschansen. En dus nam ik het aanbod aan en liep ik alsof ik er bij hoorde. Ik volgde de menigte om te kijken waar ik uit zou komen en liet me onderdompelen in het nachtleven van de stad.
Toen ik besloot om een straat in te gaan waar het wat stiller was, kwam ik op een T-splitsing tot stilstand. Ik keek om me heen en had letterlijk geen idee waar ik was. Aan de overkant van de straat was een restaurant waar op dat moment een man de lichten uit deed. Hij liep naar buiten om onder het genot van een whiskey en een sigaretje bij te komen van zijn drukke avond. Hij zette zich op de vensterbank en ik zag het licht van zijn peuk opgloeien toen hij me van een afstandje bekeek.
“He!” “Ben je verdwaald?”
“Ik denk het.”
“Nou, nu niet meer.”
Hij bleef zitten en keek me lachend aan. Ik vroeg hem waar ik dan was.
“Hier, bij mij.”
Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem lachend aan en besloot naar hem toe te lopen. Ik parkeerde mijn fiets tegen de gevel en ging naast hem zitten, waar ik een hijsje van zijn sigaret nam en een slok uit zijn glas. Ook ik kan bijdehand zijn. Hij keek me van onder tot boven aan en nam zijn sigaret weer van mij over.
“Is deze zaak van jou?”
“In zekere zin.”
“Nou, dan laat het me maar eens zien.”
Hij drukte zijn sigaret uit en wenkte me mee naar binnen. Hij nam het glas van me over en liep naar de bar waar hij 2 glazen vulde met zo te zien een dure whisky. Ik was onder de indruk van zijn nonchalance. Hij had halflange blonde lokken waarvan er één speels in zijn gezicht viel. Hij droeg een wit shirt dat zijn stevige schouders benadrukte. Zijn handen waren fors en zacht. Hij kwam naast me staan en begon te vertellen over hoe hij in dat restaurant beland was. Ik vertelde over mijn avond in de stad. En we praatten over alles wat ons tot dat moment samen had gebracht.
Toen er al enkele uren verstreken waren en de vloeistof al rijkelijk naar ons hoofd was gestegen, keek hij me doordringend aan. Ik streek voorzichtig zijn lok uit zijn gezicht waarop hij met zijn hand mijn nek vast pakte en met zijn vingers door mijn haar bewoog. Langzaam kwam hij dichterbij en kuste zachtjes mijn lippen.
“Kom je morgen weer verdwalen?”
Ik stond op van mijn barkruk, pakte mijn jas en liep naar de deur. Ik draaide nog even naar hem om en zei: “Ik verdwaal niet, ik ben bij jou.” en ik liep, met mijn fiets naast me, de stad terug in en naar huis.
Plaats een reactie